Heerlen moet anders denken

27 augustus 2014 | Opinie – De nodige stadsverkleining wordt met het Maankwartier juist een vergroting, terwijl de aanpak van de Heerlense economie te kleinschalig is.

Met de sluiting van de mijnen is er in Heerlen tevens iets veranderd in de manier van beleid maken. Daar waar eerst voorzieningen – van winkels, infrastructuur tot publieke diensten – werden ontwikkeld om aan de vraag van de inwoners te voldoen, vindt nu het omgekeerde plaats. Door voorzieningen te creëren wordt gepoogd om op de één of andere manier de economie van de stad een impuls te geven. Het terugkerend probleem voor Heerlen is echter dat het vuur probeert te maken zonder brandstof: de economie trekt niet aan omdat het verdienend vermogen niet verbetert. Het heeft geen zin om dan maar lucifers af te blijven steken in de hoop dat het vuur toch nog ontbrandt.

Maankwartier

Momenteel wordt er in Heerlen gewerkt aan een project dat ook op die leest geschoeid is. Op de plek van het station verrijst een kolos met de naam ‘Maankwartier’, die als station annex woon-, winkel- en kantoorruimte moet gaan dienen. Het gebouw staat al in de steigers, maar de financiering en het verhuur ervan lijken nog niet van een leien dakje te lopen. Zo raar is dat niet als je bedenkt dat de leegstand van kantoor- en winkelruimtes in Heerlen al vrij groot is en dat die door een daling van het aantal huishoudens alleen nog maar groter gaat worden. Inmiddels lijkt het probleem opgelost te worden doordat het UWV en de gemeente Heerlen er zelf maar kantoor gaan houden.

Dat laatste is illustratief voor Heerlen. Op eenzelfde manier schuift de stad al decennia met winkelcentra. Op de ene plek wordt iets gebouwd waar stadsbreed te weinig vraag naar is, waardoor een verhuizing vanuit elders noodzakelijk wordt. Vervolgens treedt op die andere plek dan leegstand en verval op. Met het Maankwartier lijkt het zelfs megalomane trekjes te krijgen. Een dergelijk gebouw in een stad die krimpt, die tot één van de armsten van Nederland gerekend kan worden. Met het idee dat het door zijn aanwezigheid alleen al zichzelf wel zal uitbetalen.

Mijnverleden

Heerlen ziet zichzelf nog steeds als de grote stad die het ooit was, terwijl het in essentie een veel kleinere, doorontwikkelde plattelandsgemeente is die het zonder de mijnen ook zou zijn geweest. In 1900 had Heerlen nog ongeveer één vijfde van het aantal inwoners van Maastricht, terwijl dat nu op driekwart ligt. Het verschil komt door migranten die zich in de regio vestigden en die onder aanmoediging van de kerk mede voor veel nageslacht zorgden. Met het wegvallen van de grootste werkgever en een nog weinig ontwikkelde opleidingscultuur was de bevolking vervolgens te omvangrijk en ongeschoold om iedereen nog in zijn eigen onderhoud te kunnen laten voorzien.

Nu dat kwalitatief goed onderwijs voor iedereen beschikbaar is, trekken voornamelijk de hogeropgeleiden weg. Het gevolg is dat vele gezinnen elders gesticht worden en het gemiddelde opleidingsniveau er tegelijkertijd laag door blijft. Aan de andere kant is de bevolking sterk vergrijsd en verdwijnt de geboortegolf van na de Tweede Wereldoorlog langzaam. Beide effecten samen zullen de komende decennia voor een aanzienlijke krimp van de bevolking zorgen. Dat betekent dat er woon- en winkelruimte zal moeten verdwijnen, dat er minder voorzieningen nodig zijn en dat er ook minder belastinggeld voor beschikbaar zal gaan zijn.

Andere aanpak

Heerlen moet dan ook kleiner gaan denken en projecten als het Maankwartier zeker loslaten. De krimp die eraan komt is een kans om de stad eindelijk compacter te maken en daarmee voorzieningen efficiënter te kunnen inzetten. Zo zou de bewoning van buitenwijken geleidelijk verder naar het centrum getrokken moeten worden. Sloop van oude koophuizen zou de huizenprijzen – die al tot de laagsten van Limburg horen – steunen terwijl het relatief grote aantal huurhuizen juist zou kunnen helpen om die beweging naar het centrum gerealiseerd te krijgen.

Je zou verwachten dat met goede scholing ook de aansluiting op de arbeidsmarkt zou verbeteren, zeker nu er veertig jaar na de mijnsluiting vrijwel geen directe relatie meer bestaat tussen die industrie en de beroepsbevolking. De stad kent echter procentueel het grootste aantal mensen met een uitkering van Limburg. Dit doet vermoeden dat de economische structuur nog steeds onvoldoende aangepast is. Voor steden die in deze tijd economisch relevant willen blijven, is het van belang dat ze zich in één of meerdere clusters specialiseren. Het plan voor een smart services hub, een samenwerkingsverband op het gebied van dataontginning en -analyse, zou mogelijk zo’n specialisatie kunnen zijn.

Cultuuromslag

Maar om dit te laten slagen heeft Heerlen wel een cultuuromslag nodig. Het ontwikkelen van economische activiteit die het verschil kan maken vraagt doorzettingsvermogen, gretigheid en focus. Jarenlang. De stad moet hogeropgeleiden aan zich zien te binden, waarmee de werkgelegenheid kan doorsijpelen naar andere delen van de arbeidsmarkt en sectoren in de stad. Om de concurrentie aan te kunnen moet zo’n cluster bovendien van enige omvang zijn. De valkuil hier is dat grote plannen nog al eens vergezeld gaan van een gebrekkige onderbouwing of uitvoering. Daardoor wordt de stadsverkleining met het Maankwartier een vergroting en blijft de clusterontwikkeling waarschijnlijk beperkt tot een aantal kleinschalige projecten zonder samenhang. Wanneer Heerlen onveranderd blijft doorgaan met het creëren van voorzieningen, is er in ieder geval weinig kans op een economische heropleving.

Dit artikel is verschenen bij Dagblad de Limburger / Limburgs Dagblad op 1 september 2014.