Buigt NedCar de Limburgse geest?

10 februari 2012 | Commentaar – Het was algemeen bekend dat NedCar een verhoogd risico liep om jong te sterven. Het verlies van NedCar past in de algemene Westerse trend van de-industrialisatie, maar raakt de regio Limburg extra hard.

Zelfs voor de 1500 mensen die bij NedCar werken, komt het bijna-failliet niet geheel onverwachts. Het was algemeen bekend dat het bedrijf een verhoogd risico liep om jong te sterven. Het had immers al drie keer afscheid moeten nemen toen eerst DAF failliet ging en jaren later Volvo en het toenmalige DaimlerChrysler zich terugtrokken. Uiteindelijk produceerde NedCar alleen nog maar voor Mitsubishi. Nu de productie van de huidige modellen ten einde komt, gaat ook Mitsubishi op zoek naar een alternatieve productielocatie voor zijn nieuwe modellen. Het verlies van NedCar past in de algemene Westerse trend van de-industrialisatie, maar raakt de regio Limburg extra hard.

Al voor de financiële crisis van 2007 was duidelijk dat de automobielindustrie kampt met overcapaciteit en daaruit voortvloeiende lage marges en winsten. Door het ruime aanbod van auto’s zijn fabrikanten genoodzaakt om op prijs te concurreren om de gunst van de klant. Om toch voldoende marge te houden, en zo in nieuwe modellen te kunnen investeren, is het noodzakelijk om de kosten zo laag mogelijk te houden. Tel daarbij op dat het van ver verschepen van auto’s goedkoper is geworden en het is duidelijk dat de goedbetaalde Europese arbeider in verhouding te duur is geworden.

Het is dan ook logisch dat Mitsubishi NedCar van de hand wil doen. Mocht er al een koper voor de fabriek worden gevonden, dan zal de efficiëntie van de productie moeten worden opgeschroefd. Dit betekent dat lonen bevroren worden en overtollig personeel al dan niet vrijwillig afvloeit. NedCar zal daarmee verder anonimiseren. Machines zullen een steeds prominentere rol krijgen in het productieproces. Het is dan ook de vraag of de fabriek voor de belastingbetaler van voldoende toegevoegde waarde is om openhouding na te streven. Een sociaal plan voor de arbeiders lijkt dan een zinvoller alternatief.

Voor Limburg is dit een tegenslag. Het zal de broze moraal opnieuw aantasten en een gevoel van verlatenheid bevestigen. De Limburger voelt zich immers vergeten door ‘Den Haag’. Toch staat dat beeld enigszins scheef, kijkend naar de werkgelegenheid die na de mijnsluiting door de overheid in Limburg werd gecreëerd. Alleen betrof het hier vaak banen die niet door laaggeschoolde arbeiders uitgevoerd konden worden. En ook nu is het niet iedereen weggelegd om achter een computer op kantoor te zitten. Het wegvallen van banen voor laaggeschoolden is echter niet uniek in Limburg, maar vindt plaats in grote delen van de Westerse wereld.

Daarbij zijn de Limburgers gewoon om zich vast te klampen aan hulp. De wereld is echter niet blijven steken in de jaren ‘70. De wereld van nu verwacht eigen initiatief, arbeidsmigratie en zich ontwikkelende vaardigheden. Voor wie daar niet aan voldoet, leiden inflexibele hoge lonen tot werkeloosheid. Dat NedCar mogelijk dichtgaat, is vervelend voor de betrokkenen. Maar voor Limburg is het vervelender dat het zichzelf nog steeds niet kan redden en dat een ondernemersgeest ontbreekt die mensen opzweept om zichzelf opnieuw uit te vinden. Zonder die mentaliteit is geen enkele industrie een lang leven beschoren.