Vergroot invloed provincie op Eerste Kamer

12 maart 2015 | Opinie – Gecombineerd senator- en Staten­lidmaatschap zorgt voor zichtbaar­heid in de provincie, bestuurlijke kwaliteit en een onafhankelijkere senaat.

Zo’n driekwart van de kiezers meldt zich tegenwoordig om te stemmen voor de Tweede Kamer, terwijl bij de aankomende Provinciale Statenverkiezingen als het meezit net de helft komt opdagen. Dit verschil valt wel te verklaren. De belangrijke thema’s zijn overwegend (inter)nationaal van aard en de landelijke politiek staat daarbij continue in de schijnwerpers van nieuwsmedia. De lokale politiek raakt in onze uitdijende wereld juist steeds verder gemarginaliseerd, gadegeslagen door regionale media die zelf lijden onder de relatieve krimp.

Het daaropvolgende gebrek aan zichtbaarheid heeft ook zijn weerslag op de Eerste Kamer, die wordt verkozen door Statenleden. Het idee was ooit om ‘geleerde’ Statenleden en senatoren via deze getrapte verkiezingen controle te geven over de wil van een ‘niet-wetend’ parlement. Maar tijden veranderen en inmiddels stellen we ons vragen over de kwaliteit van het lokaal bestuur en de objectiviteit van senatoren in de Eerste Kamer. Om verval te voorkomen en het draagvlak te vergroten zouden we beiden beter de krachten laten bundelen.

De opstelling van de Eerste Kamer is de laatste jaren veranderd. Van oorsprong gericht op het controleren van de correctheid, handhaaf- en uitvoerbaarheid van wetten, is het politieke spel dat in het Parlement wordt gespeeld nu in zijn geheel doorgedrongen tot de Eerste Kamer, aangezien de huidige coalitie van VVD en PvdA er geen meerderheid heeft. Dit werd onlangs nog geïllustreerd bij het debacle rondom de vrije artsenkeuze. Het risico met een instituut als de senaat is sowieso altijd dat ideologie het sec wettelijke dreigt te overwoekeren.

Dit zou kunnen worden ondervangen door de ideologie er meer uit te halen. Net zoals de Raad van State een ‘objectief’ advies geeft aan de regering en parlement voordat wetten worden aangenomen, zou er een soortgelijke technocratische controle kunnen plaatsvinden nadat wetten zijn aangenomen. De Eerste Kamer zou bijvoorbeeld meer naar de rechterlijke macht kunnen gaan neigen door alleen juristen wetten te laten toetsen, waardoor de link met regering en parlement wordt verzwakt. De Statenleden vormen dan de connectie met de politiek.

Maar als we aan de andere kant vinden dat de lokale politiek over het algemeen competente bestuurders ontbeert, waarom zouden die dan beter weten welke senator te kiezen dan de rest van de bevolking? Bovendien lopen bij de provinciale verkiezingen twee abstractieniveaus – landelijk en provinciaal – door elkaar heen, waardoor de provinciale politiek zo eerder een stoorzender vormt die de controle van het openbaar bestuur op landelijke niveau in de weg staat. Directe verkiezingen voor de Eerste Kamer zouden dan een uitkomst bieden.

Met alleen technocraten in de Eerste Kamer houdt die feitelijk in zijn huidige vorm op te bestaan. En met directe verkiezingen is de kans groot dat burgers het onderscheid tussen beide Kamers niet meer zullen zien en dat de opkomst voor beiden laag zal uitvallen dan wel dat de samenstelling van de senaat een één op één reflectie is van het algemene sentiment rond regering en parlement. Ook dreigt daardoor de provinciale politiek nog meer een ondergeschoven kindje te worden. Het gebrek aan zichtbaarheid blijft zo een probleem.

Om dat op te lossen zou de functie van senator aan die van Statenlid toegevoegd moeten worden, rekeninghoudend met het maximum van 75 senatoren. Per provincie zou er dan een quotum moeten worden vastgesteld op basis van het aantal inwoners, waarbij binnen iedere provincie aan de hand van de zetelverdeling het quotum per partij verder wordt ingevuld. De lijsttrekkers – en de nummers twee en drie op de lijst – presenteren zich vervolgens lokaal als kandidaat-senator én kandidaat-(vice)fractievoorzitter.

Kiezers hebben zo meer invloed op de aanstelling van senatoren, die in de provincie door hun inzet voor zowel het landelijke als provinciale gewicht krijgen en zo blijvend voor aandacht zorgen voor beide bestuursorganen. Door van beide parttime functies één fulltime baan te maken is er bovendien ruimte voor carrièrepolitici of professionals die anderszins voltijds werken, wat bijdraagt aan de kwaliteit van het bestuur. Ook komt deze opzet het dualisme ten goede, aangezien senatoren geen deel kunnen uitmaken van Gedeputeerde Staten.

Het zal de landelijke partijen dwingen meer naar de provincies te kijken en om kandidaten te vinden die beide belangen weten te bevorderen. Het verhoogt ook de drempel voor de kleinere lokale partijen, die toch vaak niet in staat zijn om de dossiers bij te benen. Zij kunnen dan wel a priori afstand doen van het senatorschap, maar verkleinen zo ook de kans om verkozen te worden. De Eerste Kamer zelf zal door de decentrale inbreng vanuit de provincies juist profiteren van meer afstand tot regering en parlement.

Dit artikel is verschenen bij Dagblad de Limburger / Limburgs Dagblad op 12 maart 2015.