Samenleven

Voorbij het geluk van economische groei

5 november 2014 – Waarvoor streven we eigenlijk economische groei na? Het verlaagt juist de gelukswaarde per product en verwondt de aarde en menselijke ziel.

Misschien is de tijd waarin we leven wel de beste die er ooit is of zal zijn geweest. Ik lees wel eens over onderzoeken die vaststellen dat Nederlanders over het algemeen gelukkig zijn. Mij lijkt dat geluk eigenlijk net als vroeger een soort van illusie. De leemte die de ontkerkelijking heeft achtergelaten hebben we gevuld met ad hoc hedonisme, waar we vooral ervaringen nastreven en we willen ‘genieten’ van de producten en diensten die we mekaar verkopen.

Toch zijn we zonder geloof niet ook zonder religie komen te zitten. Vroeger was de gedachte dat door te geloven de mens dichter bij God zou komen. Nu denken we gelukkiger te worden op aarde door economische groei na te streven. Aangezien er voor de dood aan het eind geen oplossing meer is, storten we ons obsessief op het consumeren van spullen. Bovendien worden de kosten ervan genegeerd dan wel gezien als een uitdaging die met meer groei kan worden opgelost. Ons streven naar geluk heeft echter meer weg van een kaalslag die de planeet en de mens verwond achterlaat.

Het kan niet anders dan dat er een grens zit aan de vergaring van materieel geluk. Tijd en plaats zijn vaststaande gegevens. Je kunt in één minuut maar op één plek tegelijk van hoogstens een paar dingen een gelukservaring krijgen. Wanneer we onder het mom van groei meer spullen creëren, dan zal de aandacht over meerdere producten verdeeld moeten worden, waardoor de gelukswaarde per product afneemt. Het lijkt dan niet zinvol om in groei te blijven investeren.

Je kunt dat ook wat praktischer bekijken. Als ons nationaal inkomen met 25% daalt en vervolgens oneindig constant blijft, worden we dan ook 25% minder gelukkig? Andersom kan ook: als over 50 jaar het nationaal inkomen verdubbeld is, hoeveel gelukkiger zullen onze kinderen dan zijn? Als tegenwerping zouden we kunnen zeggen dat geluk niet alleen in het materiële zit. Maar als dat zo is, en wetende dat groei de gelukswaarde per product doet afnemen, wat streven we dan eigenlijk na?

Ik vermoed dat we vanuit onze Calvinistische achtergrond de wereld uit automatisme nog steeds inrichten alsof God als einddoel er nog steeds is. Economisch groei was in den beginne niet het doel, maar een middel om de weg naar het hiernamaals te verlichten. Met het wegvallen van God bleef vervolgens alleen het middel over dat vervolgens vanzelf tot doel is geworden. Dat terwijl het middel zelf eigenlijk al aardig op weg was om in zijn eigen doel van aardse verlichting te voorzien.

Daar waar we in de Lage Landen ooit mee begonnen zijn, dat heeft zich vervolgens via de Britten en Amerikanen over de wereld verspreid. Door de globalisering van handel is er een wedloop tussen landen ontstaan, waar diegene die op grootst mogelijke schaal, het meest innovatief én efficiënt werkt, wint. Die winnaar koopt met het verdiende macht en zelfbeschikking. Vroeger waren soldaten bereid om voor een communautair ideaal te sterven, nu streven mensen op een kantoor hun eigen geluk na.

Doordat onze rijken gebaseerd zijn op economische expansie, zullen de risico’s en gebreken zich ook op een andere manier presenteren. Zo kan het niet anders dan dat het steeds kleiner worden van vakgebieden door verdergaande specialisatie en de druk om te presteren ergens een grens kennen. Bovendien is het een vereiste dat er in monetaire termen onveranderd geconsumeerd wordt, ook al veranderen producten over tijd. Het grootste risico is misschien nog wel de aanname waarop we ons systeem baseren: dat de mens een zelfredzaam en vooruitziend wezen is.

De verandering van ons klimaat laat echter al zien dat de mens zijn beperkingen heeft. Voor ons geluk nu zijn we bereid om van het verleden en de toekomst te stelen. Met een liter benzine kopen we de luxe om niet vijftien minuten zelf te hoeven bewegen. Die liter heeft miljoenen jaren nodig gehad om tot olie te worden, groeit niet meer terug aan en zal nog duizenden jaren als CO2 aanwezig zijn. Met kernenergie nemen we zelfs onoverzienbare risico’s, aangezien het afval lang na onze dood nog door ons verzorgd zou moeten worden.

Ook creëren we behoefte die er niet is en zorgen vervolgens dat die massaal navolging krijgt. Niet alleen krijgt het geproduceerde hierdoor een korte levensduur en ontstaat er zo een berg overbodige spullen die we dan weer ergens begraven of verbranden. Het laat bovendien zien hoe ook wij gemakkelijk zijn te verleiden door de fonkeling van spiegeltjes en kraaltjes. Niets illustreert dit beter dan de Apple iPad.

Het apparaat is een dunne, maar trage computer. Geen revolutionair concept. Wat Apple voor die producten vraagt én krijgt, is astronomisch in vergelijk met de kosten die het ervoor maakt. Kijk maar eens naar de beurswaarde en reserves van het bedrijf. En de wijlen bedrijfsleider wordt gezien als een technisch wonder. Het briljante is echter de exploitatie van het irrationele. Er wordt bewust gepoogd om zoveel lust op te wekken dat onze weerstand breekt.

In onze samenleving is dat geen misdrijf, aangezien een mens in staat zou zijn met zijn verstand de juiste afweging te maken. Onder het mom van maatschappelijke vooruitgang herverdelen we zo ons inkomen ten gunste van een paar die door sluwheid rijk worden. Daarbij faciliteren we de omstandigheden waarin dit kan gebeuren. Met lage rentes stimuleren we leningen als middel om nu alvast met toekomstig inkomen producten te kopen. En aangezien we denken dat alles groeit, kunnen we ook daar al een voorschot op nemen. Zo krijg je dan zeepbellen.

En hoe zit het dan eigenlijk met onze vrijheid? Materieel geluk komt niet gratis. Ten eerste spenderen we zo’n vijftien tot twintig jaar op school om opgeleid te worden voor een rol in het productieproces. Ook na die tijd worden we geacht te blijven studeren zodat we de door onszelf aangejaagde veranderingen kunnen bijhouden. Misschien dat het leerproces en het opdoen van kennis an sich wel bevrijdend werken, wanneer ze ons intellectueel sterker doen voelen.

Na de studie volgt dan de productiefase. Door specialisatie zijn we zo afhankelijk van elkaar geworden, dat we op elkaar aangewezen zijn om niet te verhongeren of zonder kleren komen te zitten. Om dat in banen te leiden hebben we voor instituties gezorgd die delen van ons leven reguleren. Bovendien is alle ruimte om ons heen vergeven en is het daarmee vrijwel onmogelijk om als zelfvoorzienend mens op de aarde te bestaan. Onze vrijheid beperkt zich daardoor tot de plek in het systeem, die we op basis van onze specialisatie hebben verworven.

Volgens mij vinden we dat niet eens zo erg. Ondanks dat er geen totalitair leiderschap meer is, streven we daarzonder nog net zo goed naar de vastigheid ervan. De voorspelbaarheid van het kantoorbestaan, bijvoorbeeld, voorkomt dat onzekerheid aan ons gaat knagen. En zelfs nu kapitaalbezit gedemocratiseerd is, laten we ons liever behandelen als horige dan heer. Zo eist ons pensioenfonds voor ons een zeker rendement, dat we vervolgens zelf via opgelegde bedrijfsdoelstellingen moeten leveren.

Zijn we daarmee nu beter af dan in het verleden? We worden twee keer zo oud, zijn gezonder en kunnen ons in comfort hullen. We zijn vrijer omdat we door onze kennisvoorsprong een overschot hebben opgebouwd waarmee we vrije tijd kunnen kopen. Zodra de groei echter probeert door zijn natuurlijke en menselijke grenzen heen te gaan én we ook nog eens moeten gaan concurreren met opkomende markten, dan zou op lange termijn inderdaad wel eens kunnen blijken dat ons geluk nu eigenlijk een afwijking is.

Om dat te voorkomen zouden we moeten streven naar een ‘de-economisering’ van de samenleving. Er zou theoretisch een categorisering van producten en diensten moeten zijn op basis van de zinvolheid ervan voor het menselijk bestaan en de kosten die ze voor de planeet met zich meebrengen. De minst zinvolle producten worden dan verboden of wel zo belast dat ze veel minder verkocht worden. Praktisch kunnen we hiertegen zat bezwaren verzinnen, maar als we het aan de kortzichtigheid van de markt – en dus mens – laten, dan overkomt de toekomst ons.

Aan de andere kant van dezelfde medaille vinden we zelfdiscipline. We zijn inmiddels zover dat we zwakte nog al eens verwarren met ziekte. Voor ziekte kunnen we namelijk pilletjes maken en nemen, wat gemakkelijk is, maar voor zwakte zijn we op ons zelf aangewezen, wat moeilijk blijkt te zijn. Onder zelfdiscipline wordt hier verstaan: jezelf iets ontzeggen zonder dat iets buiten onszelf dat al voor ons doet. Als we dat oefenen dan kunnen we namelijk weerstand bieden tegen de glinstering van kraaltjes en zo voorkomen dat we de planeet omploegen voor kortdurende pleziertjes. Deze les zou op alle scholen verplicht moeten zijn.

Als we het zo doen, dan heeft dat twee effecten: we zullen minder verdienen en we zullen meer tijd en daarmee vrijheid overhouden. De kunst zou dan zijn om de gelukservaring te verschuiven van het eerste naar het tweede, waarmee we ons ook verheffen uit het rijk der dieren. Consumeren staat immers gelijk aan een primaire bezigheid als zich voeden. Voor sommigen zal die verheffing in het intellectuele liggen, voor anderen in het spirituele of kunstzinnige en weer anderen halen het bijvoorbeeld uit menselijk samenzijn.

We zullen sowieso de rol van het individu in de economie moeten herijken. Een vrij individu is zeker in staat bijzondere bijdragen te leveren. Alleen ontstaat daardoor op termijn wel een onderscheid ruwweg op basis van intellectuele vermogens, waarbij de slimmere mensen zich verrijken en de rest er steeds verder achteraan hobbelt. Het kan dan ook niet anders dan dat op enig moment inkomensherverdeling, het terugdringen van competitie tussen mensen en gemeenschapszin belangrijker zullen worden.

Aangezien we ons wel in een globale wedloop bevinden, zal het voor een land als Nederland moeilijk zijn om zich eraan te onttrekken. Vaak vinden fundamentele verandering pas plaats wanneer een systeem in zijn geheel uiteenvalt. Dan lossen schaarste, oorlogen of rampen morele tekortkomingen voor ons op. Hierdoor komen we dan nooit in de gelegenheid om een heel mens te worden en blijft groei van het materiële de manier om ons weer te verheffen uit de ellende waarin we ons uit onmacht hebben laten afzakken. Om dat te voorkomen moeten we leren de kracht te ontwikkelen waarmee we meer mens worden en dat vervolgens in de wereld uitdragen. Zo hebben we dan ook een doel om op aarde voor te zijn.