Zuid-Limburg blijft een buitenbeentje

15 april 2016 | Essay – Van mijnstreek naar specialist. Zuid-Limburg is er nog lang niet. Zeker als de provincie Limburg de Essent-gelden niet voor meer werk inzet.

Als je een uitstulping als Zuid-Limburg aan een land hangt, dan is dat om problemen vragen. Nederland wilde het gebied bijna twee eeuwen geleden echter hebben en met de mijnbouw werd het verzet daartegen omgebogen in gebroederlijke samenwerking. De regio was relevanter dan ooit voor het land, zeker na de Tweede Wereldoorlog. Het gevoel van belang te zijn is gebleven, terwijl de regio nu nooit ver weg is van irrelevantie. Van de campussen waarmee de provincie Limburg het tij probeert te keren zal de grote ommekeer ook niet komen. Wat Zuid-Limburg nodig heeft is een samenhangende visie op hoe het zich economisch kan ontwikkelen en een aanjager die daarvoor gaat zorgen.

Eiland

Voordat de mijnbouw een explosieve vlucht nam, vond economische activiteit van betekenis vooral plaats langs de Maas en dan voornamelijk rond Maastricht. Met de mijnen breidde die activiteit zich snel noord- en oostwaarts uit en overvleugelde de tot dan toe agrarische gemeenschappen daar. Hoge geboortecijfers en migratie zorgden voor een snelle groei van de bevolking en het verstedelijken van de dorpen. Om die bevolking na sluiting van de mijnen toch in zijn levensonderhoud te kunnen laten voorzien, is heel Zuid-Limburg door toedoen van ‘Den Haag’ en het Limburgse lobbywerk flink gecompenseerd.

Met het effect van de compensatieregelingen uitgewerkt, blijft het probleem van de dichtbevolkte oude mijnstreken en de moeizame modernisering van de economie. Zuid-Limburg blijkt nog steeds het eilandje dat het altijd al was. De provincie Limburg probeert daar nu iets aan te doen door het belastinggeld dat met de verkoop van Essent te gelde is gemaakt te investeren in campussen waar kennis en bedrijvigheid samenkomen. Denk aan de Chemelot Campus in Geleen, de Maastricht Health Campus en de Smart Services Campus in Heerlen. Ook wordt naarstig gezocht naar samenwerking binnen de Euregio.

Lokale inbedding

De campussen lijken op het eerste gezicht prima initiatieven waarmee de toekomst wordt ingeluid. En succesvol zullen ze mogelijk ook zijn. Maar niet per se voor Zuid-Limburg zelf. Het maatschappelijke rendement voor een regio moet breder worden gezien dan in termen van winstgevendheid en prestige alleen. Ze zijn pas succesvol als ze ook voldoende lokaal ingebed zijn en ze zo voor werkgelegenheid zorgen.

Neem bijvoorbeeld de Chemelot campus. In Zuid-Limburg is de uit het mijnbedrijf DSM voortgekomen industrie de bedrijfstak waarin verreweg de meeste economische waarde wordt toegevoegd. Sinds de eeuwwisseling is die sector zelfs het sterkst van allen gegroeid. Die toename is echter net zo sterk als de daling van het aantal arbeidsplaatsen. Investeringen in campussen als Chemelot brengen dan ook maatschappelijke risico’s met zich mee, wanneer hoogopgeleiden het werk overnemen van meerdere laagopgeleiden, terwijl de provincie voor die laagopgeleiden geen alternatieven ontwikkelt.

Campussen zorgen bovendien voor verdergaande specialisatie, waarmee bij gebrek aan eigen expertise kennis van buiten de regio wordt aangetrokken. Zo kan het dan zijn dat hoogopgeleiden van elders op een eilandje komen te werken voor aandeelhouders die ook niet regiogebonden zijn. Het rendement waait dan over de hele wereld uit en het economische effect op Zuid-Limburg zal dan niet zondermeer positief zijn. Nu zal het Rijk wel meer bijdragen aan bijvoorbeeld infrastructuur en uitkeringen voor laagopgeleide werklozen, maar dat kan niet het beoogde resultaat zijn van structuurversterkende investeringen.

Leren van het noorden

Zuid-Limburg moet iets doen waar maar weinig regio’s succesvol in zijn. Het moet zich verder toeleggen op gespecialiseerde niches, waarin op een winstgevende manier een dwarsdoorsnede van de werkende bevolking ingezet kan worden.

Hoe zoiets zou kunnen werken, kan in Noord-Limburg worden afgekeken. Die regio past door zijn geografische ligging als transport- en overslagspil prima in het doorvoerland dat Nederland van oudsher is. En met de land- en tuinbouw erbij heeft die regio twee sectoren met sterke lokale verankering. Daarbij maakt de Greenport Campus de land- en tuinbouwsector toekomstvast en helpt die om meer hogeropgeleiden aan de regio te binden.

In Zuid-Limburg hebben de grenzen echter de doorvoer van west naar oost in de weg gestaan en de mijnbouw bovendien al het andere overvleugeld. Als gevolg daarvan is de regio afhankelijk gebleven van bedrijven en instellingen die door de Rijksoverheid zijn achtergelaten of in stand worden gehouden. Denk daarbij aan de DSM en diens afsplitsingen, statistiekbureau CBS, pensioenfonds APG en de Universiteit Maastricht.

Werkgelegenheid

Als de provincie aan economische stimulering wil doen, dan zal ze zich ook moeten bezighouden met het maken van beleid voor de arbeidsmarkt. Alleen zo kunnen investeringen meetbaar de werkgelegenheid ten goede komen. Het volstaat dan ook niet om bedrijven en scholen samen onderwijsprogramma’s in elkaar te laten zetten, wetende dat die vooral de nauwe belangen van bedrijven dienen.

Dat Zuid-Limburg een probleem op de arbeidsmarkt heeft, dat blijkt uit alle statistieken. In de regio is een groter deel van de potentiële beroepsbevolking inactief dan bijvoorbeeld in Noord- en Midden-Limburg, dan in omliggende provincies als Noord-Brabant en Gelderland en al helemaal in vergelijk met het westen van het land. Er werken minder mensen dan wel zouden kunnen werken. Het aantal uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid is nergens zo hoog en als het op het totaal aantal uitkeringsgerechtigden aankomt, springen de steden in de oude mijnstreken er boven uit.

Tekenend is ook de versnelde afname van economische activiteit onder Limburgers van 55-64 jaar in vergelijk met elders in het land. Dat zijn de al dan niet verborgen werklozen die eerder met ‘pensioen’ gaan omdat ze qua kennis en opleidingsniveau niet meer voldoen. Door zich alleen met campussen op de toekomst te storten, schrijft de provincie dan ook impliciet haar huidige arbeidspotentieel af. Wie niet meer meekan, die moet maar bij het Rijk om een uitkering gaan vragen.

Expertisecentrum

De Provincie Limburg moet terug naar zijn oorspronkelijke rol van aanstichter en ondersteuner. Belastinggeld is er niet om op te sparen en te beleggen, maar om dingen voor burgers mogelijk te maken. De Essent-gelden bieden eenmalig kans om een nieuwe aanpak te proberen, die niet alleen voor Zuid-Limburg maar ook voor de rest van de provincie goed zou kunnen uitpakken.

Een deel van het geld zou aangewend moeten worden voor het versterken van economische en politieke expertise. Door een expertisecentrum op te richten dat zich de komende 25-50 jaar actief voor de provincie in zijn geheel en de regio’s Noord-, Midden- en Zuid-Limburg bezig gaat houden met het inrichten van de economische structuur. Het uitgangspunt is daarbij de moderniseringsslag die nog nodig is samen te brengen met beleid dat voorziet in aansluiting voor alle lagen van de bevolking. Zie het als een denktank die een economische visie ontwikkelt en met de jaren bijstelt.

Die visie zou dan door een groep politici, academici en mensen uit het bedrijfsleven met gewicht en inzicht omgezet moeten worden in concrete resultaten. Die groep helpt de provincie lobbywerk te ondernemen, waar bijvoorbeeld het Rijk overtuigd moet worden om te investeren in onderwijs, en neemt een voortrekkersrol op zich om de drie regio’s afzonderlijk bestuurlijk slagvaardiger te maken. Zo zijn er in oostelijk Zuid-Limburg naar landelijke maatstaven teveel kleine gemeenten, die met de krimp alleen nog maar kleiner zullen worden. Ook zijn het verkenners die buiten Limburg op zoek gaan naar samenwerking en schaalvergroting.

Zuidstad

Onlangs blies Peter Kamps van Dagblad de Limburger / Limburgs Dagblad het voorstel van architect Wiel Arets opnieuw leven in om van Zuid-Limburgse gemeenten één supergemeente ‘Zuidstad’ te maken om zo voor meer slagkracht te zorgen. Het lijkt echter niet aannemelijk dat het Rijk zal zitten wachten op een ongekende bureaucratische fusie om daarna geconfronteerd te worden met een moloch die toch andersoortige aandacht nodig heeft dan de grote steden in de Randstad. En landelijk lost het ook geen probleem op: qua grootte staan de Limburgse gemeenten in verhouding met wat elders in de periferie gebruikelijk is.

Bovendien kan Zuidstad organisatorisch niet zonder een Midden- en Noordstad, willen de Midden- en Noord-Limburgse gemeenten niet in de verdringing geraken. Die supergemeenten komen dan vervolgens in het vaarwater van de provincie, die op haar beurt op zoek moet naar schaalvergroting met de provincies Noord-Brabant en Gelderland. Komen we over de lokale bezwaren tegen gemeentelijke herindeling misschien nog heen, anders wordt het als Limburg als provincie in het gedrang komt.

Euregio

Zuid-Limburg moet sowieso loskomen van de zo overheersende economische noord-zuid as, en daarmee ook van de afhankelijkheid van Nederland, en zich mentaal openstellen voor een as van west naar oost, die er vanuit historisch perspectief waarschijnlijk ook zou zijn geweest. De grenzen met Vlaams België, een regio waarmee Limburg van oudsher qua taal en cultuur nauw verwant is, moeten vervagen en we zouden Zuid-Limburg moeten zien als de rechterhoek in een driehoek begrensd door Antwerpen en Brussel. Samenwerking met Duitsland wordt zo niet a priori uitgesloten, maar deze keuze stelt de regio in staat om verder te komen dan de culturele obstakels, de versnippering van aandacht en daarmee het gebrek aan resultaten waarmee we geconfronteerd worden als aan het idee van een brede Euregio wordt vastgehouden.

Met een allesomvattende visie en met de juiste mensen op hun plaats kan de rest van het Essent-geld dan over decennia als smeermiddel worden ingezet. Daarbij valt te denken aan investeringen op het gebied van ruimtelijke ordening en infrastructuur. Met een idee van de richting waarin de regio zich beweegt kan ook afgestapt worden van beleid dat het hebben van (spoor)wegen en (lucht)havens alleen al beschouwt als het aanjagen van de economie. Dat infrastructuur slechts een middel is, bewijst het komen en vooral weer gaan van internationale treinverbindingen die verder reiken dan net over de grens. Datzelfde geldt ook voor Maastricht Aachen Airport, dat eigenlijk niet meer dan een werkgelegenheidsproject is.

Toekomst

Zuid-Limburg is niet alleen economisch zwakker dan Noord- en Midden-Limburg, het krijgt ook nog eens te maken met een grotere bevolkingskrimp. Het één staat daarbij niet los van het ander. Die krimp zou aanleiding kunnen zijn om regio’s als het Mergelland en Parkstad Limburg her te bestemmen tot kleinschalige woongebieden met ruimte voor recreatie, terwijl het westelijk deel langs de Maas dan net als vroeger de functie van economische motor op zich neemt en verder verstedelijkt. De regio’s rond Maastricht en Sittard-Geleen richten zich dan op het noorden voor aansluiting met Nederland en kijken over de grens met België voor schaalvergroting.

Met de kennis van nu zal Zuid-Limburg in vergelijk met elders vooral groot blijven in de maakindustrie die uit het mijnverleden is ontsprongen. Ook is de regio economisch relatief groot in onderwijs. In andere sectoren is het beeld lang niet zo duidelijk. In de gezondheidszorg wordt weliswaar veel waarde gecreëerd, maar dat is deels van tijdelijke aard door vergrijzing. Waar de regio achterblijft is in zakelijke dienstverlening en (internationale) handel. Het is vooral in takken als onderwijs en dienstverlening waarin het moet proberen om met niches de industriële samenleving verder achter zich te laten.

De provincie Limburg zou de Essent-gelden beter inzetten om het veranderingsproces te faciliteren in plaats van te investeren in campussen die mogelijk te kleinschalig, eenzijdig of vanuit maatschappelijk oogpunt te vrijblijvend zijn. De transformatie van Zuid-Limburg naar een moderne regio neemt nog decennia in beslag en kan alleen doorzetten als daar een duidelijke visie en richting voor worden uitgedacht. Een hele taak voor een provincie om daar vorm aan te geven. Waarschijnlijker is het dan ook dat die ongericht geld tegen het probleem blijft aangooien in de hoop zo alles te veranderen. Zuid-Limburg zal daarmee dan het buitenbeentje blijven dat het eigenlijk toch altijd al was.