Vroege pensionering is een duur verlies

27 augustus 2011 | Opinie – We onttrekken werknemers meteen na het bereiken van hun top aan het arbeidsproces, waarmee een groot deel van hun potentieel verloren gaat.

Het leven van een mens volgt een cyclus, waar nieuw leven zich langzaam vaardigheden en kennis eigen maakt, om die vervolgens in te zetten in het arbeidsproces. Met de jaren zal het potentieel, en daarmee het inkomen, toenemen. Eerst snel, vervolgens steeds langzamer. Vanaf een bepaald moment slaat de groei om in teruggang, doordat het lichaam en de geest aftakelen. Hierdoor gaat een oudere werknemer relatief minder bijdragen. Onze samenleving is momenteel zo ingericht, dat we na dit omslagpunt werknemers massaal uit het arbeidsproces onttrekken door ze te pensioneren, terwijl er nog voldoende potentieel aanwezig is. Dat is een duur verlies voor de samenleving.

De vroege pensionering leidt niet alleen tot het verlies van intellectueel kapitaal – ervaring en kennis – maar draait tevens de spaar en consumeer balans om: er komt geen nieuwe kapitaal meer bij, er wordt juist kapitaal voor consumptie aangewend. Eenzelfde effect treedt op bij de overheidsfinanciën, waar overheden minder premies ontvangen en juist meer kosten zullen maken. Het opsouperen van kapitaal mag dan een korte termijn effect hebben op de consumptie, het zal een lange termijn vernietigend effect hebben op de investeringen, die juist de jongere generaties helpen om een samenleving in stand te houden.

Een samenleving heeft daarbij weinig aan vitale mensen in gepensioneerde toestand. Nu zullen – aankomend – gepensioneerden tegenwerpen dat ze lang genoeg hebben bijgedragen en daarmee een terugtrekking uit het arbeidsproces verdiend. Dit argument is echter van alle tijden, en gold ook toen een pensioen gemiddeld 5 jaar duurde, terwijl dat nu rond de 15 jaren ligt. Het pensioen lijkt te zijn verworden tot een lange vakantie, met een epiloog waarin ouderen wel degelijk rust en een financieel vangnet gegund moeten worden. Een samenleving kan echter niet teren op een verlangen naar plezier; ze dient te worden onderhouden en verder uitgebouwd.

Vanuit de bijdrage aan de samenleving bekeken, leven de allerjongsten grotendeels gesubsidieerd. Ze hebben geen spaargeld en dragen geen belasting af. Naarmate mensen ouder worden, en het potentieel zich ontwikkelt, zullen ze een steeds groter deel van hun inkomen aan de samenleving ter beschikking stellen. Wanneer de top van hun potentieel wordt bereikt, blijven de inkomens echter nog een tijd op peil, terwijl de productiviteit afneemt. Hierdoor dragen eerst de werkgevers de lasten van de afnemende productiviteit, alvorens deze kosten worden overgenomen door de gehele samenleving.

De samenleving zou er goed aan doen om ook het dalende deel van de levenscyclus in te richten. Ouderen zijn minder productief na het bereiken van hun maximale potentieel, het nog aanwezige potentieel overtreft nog steeds ruim dat van bijvoorbeeld een starter. En die onttrekken we ook niet aan het arbeidsproces. We zullen een manier moeten vinden om het ouder worden neutraal te verrekenen, waar ze naar hun geleverde product worden betaald, zonder daarbij te vergeten dat ze in kracht verliezen. We zullen dus met een teruggang in het aantal te werken uren en in de productiviteit per uur rekening moeten houden.

Het zou voor de hand liggen om ouderen vanaf de huidige pensioengerechtigde leeftijd trapsgewijs steeds meer parttime te laten werken. Er zouden meerdere leeftijdstrappen met een stijgend parttime percentage kunnen worden ingesteld. Bijvoorbeeld: 100% tot aan 65, 80% tot aan 69, 60% tot aan 72 en volledig pensioen vanaf 72. Houden we daarbij rekening met de dalende uurproductiviteit, dan wordt een parttime percentage van 80% effectief bijv. 70%. En 60% zou effectief bijv. 45% worden.

De ruimte boven het wettelijke parttime percentage kan worden opgevuld met een naar rato AOW uitkering en eventueel een naar rato aanvullende pensioenuitkering. Het verschil tussen het wettelijke en effectieve parttime percentage, het productiviteitsverlies, zal anders opgevuld moeten worden. Zo zou het voor de hand liggen om het belastingtarief te verlagen, te beginnen met het deel dat voor de AOW bestemd is. De opbrengst van deze verlaging zou dan niet aan de werknemer ten deel moeten vallen, maar aan de werkgever ter compensatie. Het netto uurloon kan dan mogelijk zelfs op het oude niveau blijven, terwijl het bruto uurloon daalt en het verlies in productiviteit opvangt.

Het is niet de bedoeling om mensen langer te laten werken om de schatkist van de overheid te vullen. Alle maatregelen dienen dan ook neutraal te zijn. De lagere uitgaven aan de AOW zorgen zo voor een lagere premiedruk voor de jongere generaties. Verder is het te mogelijk om het extra, niet-geconsumeerde kapitaal niet te belasten door bijvoorbeeld de heffingvrije som in box 3 te verhogen. Ook zou een verlaging van de erfbelasting een logische maatregel zijn. Alle middelen komen zo ten goede aan de jongere generaties. De hier geschetste invulling is een startpunt; het behoeft een gedetailleerdere uitwerking.

Parttime gepensioneerden kunnen ervoor kiezen om minder per week te werken of juist meer vakantiedagen op te bouwen in een fulltime dienstverband. Wanneer mensen voor hun volledig pensioen af moeten haken door arbeidsongeschiktheid, dan kan het volledige pensioen vervroegd worden uitbetaald in plaats van bijvoorbeeld een WIA uitkering. Een WIA arts zou dit kunnen vaststellen.

Voor bedrijven vergt deze nieuwe benadering een aanpassing in werkwijze. Daar waar ze een werknemer nu nog wel ’s zijn tijd laten uitzitten tot aan het pensioen, zullen de werkgever en werknemer samen actief vorm moeten geven aan het dienstverband. Juist de oudere werknemers hebben de meeste kennis en ervaring. Zij zouden binnen een organisatie kunnen bijdragen aan het onderwijzen en het mentoren van collega’s. Ook zouden ze als adviseurs of in een ondernemende rol van waarde kunnen zijn.

Het loont om ouderen langer te laten werken, wetende dat hun potentieel bij de huidige pensioengerechtigde leeftijd nog lang niet uitgeput is. We zullen wel het geleidelijke verval moeten opvangen en compenseren. Het is contraproductief om vitale mensen met vakantie te sturen, wetende dat we daarmee kennis verloren laten gaan, de overheidsfinanciën onder druk zetten of de jongere generaties de rekening presenteren, en op de kapitaalmarkt de financiering voor investeringen remmen. Eerdere generaties hebben gewerkt om de welvaart op te bouwen die we gewoon zijn. Nu is het onze beurt om voor de volgende generaties te zorgen.